Zoeken

Moeten we allemaal vegetariër worden?

Het is inmiddels algemeen geweten dat onze huidige levensstijl niet erg duurzaam is, en dat de productie en consumptie van vlees een enorme impact heeft op het milieu. De stijgende vraag naar vlees en dierlijke producten heeft geleid tot een sterke intensificatie van de veeteelt. Hierdoor zijn ook steeds meer en meer consumenten bezorgd om de kwaliteit van hun vlees, en om het welzijn van de dieren. Dan is het simpel, toch? We schrappen gewoon alle dierlijke producten uit ons dieet! Jammer genoeg (of gelukkig?) is het niet zo eenvoudig. Bij de productie en consumptie van voedsel spelen tal van aspecten van duurzaamheid een rol, en bovendien zijn er heel wat synergieën en trade-offs van verschillende actoren waar we rekening mee moeten houden. Het ontwikkelen van veerkrachtige voedselsystemen vereist een holistische aanpak die zaken integreert als CNP-cycli (de beweging van koolstof, stikstof en fosfor van het milieu naar planten en dieren, en weer terug), water, bodems en biodiversiteit, maar ook aandacht voor thema’s als voedingscultuur, voedselzekerheid en geopolitieke stabiliteit. In deze blogpost proberen we je het topje van de ijsberg te laten zien en aan te tonen waarom het antwoord op deze vraag complexer is dan je op het eerste zicht zou denken.





Laten we beginnen met het woord duurzaamheid nader te bekijken. In het algemeen zijn er drie pijlers: de ecologische pijler, de economische pijler en de sociale pijler.

Ecologische duurzaamheid betekent dat we het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen niet overschrijden (dus dat we onze natuurlijke hulpbronnen niet sneller opgebruiken dan dat ze zichzelf kunnen herstellen) en dat we de verontreiniging van lucht, water en bodem tot een minimum beperken. De geïndustrialiseerde landen overschrijden reeds het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen, terwijl dit in de ontwikkelingslanden nog niet het geval is. In gebieden met intensieve voedselproductie verontreinigen voedingsstoffen, pesticiden en zware metalen de bodem en kunnen ze doorsijpelen naar het grondwater, waardoor het plaatselijke drinkwater vergiftigd raakt. De schadelijke stoffen kunnen zich door de lucht of via het water verspreiden en regionale (bijvoorbeeld verzuring) en zelfs mondiale problemen veroorzaken (bv. opwarming van de aarde, verlies van biodiversiteit). Economische duurzaamheid houdt in dat er een evenwicht moet zijn tussen kosten en opbrengsten, zodat een systeem in stand kan worden gehouden. Het werpt vragen op als: heeft iedereen toegang tot betaalbaar voedsel? Kan een voedselproductiesysteem zonder dierlijke producten rendabel genoeg zijn voor onze boeren? En is ons systeem veerkrachtig genoeg om schokken en externe druk (zoals de opwarming van de aarde) het hoofd te bieden? Sociale duurzaamheid verwijst naar het feit dat productiesystemen sociaal aanvaard moeten zijn, respectvol moeten omgaan met mens en dier, moeten bijdragen tot een integer gebruik van grondstoffen en rekening moeten houden met voedselzekerheid en -veiligheid. Om te evolueren naar een echt duurzame manier van eten, moeten we er dus voor zorgen dat de veranderingen die we doorvoeren een breed draagvlak hebben en voor iedereen gunstig en haalbaar zijn.




Zoals we al zeiden, worden momenteel de grenzen van onze planeet overschreden door de manier waarop we voedsel produceren en consumeren. Een groot percentage daarvan wordt veroorzaakt door de veeteelt. Het merendeel van onze veestapel produceert minder door de mens eetbare eiwitten dan ze zelf consumeert, en daardoor wordt momenteel ongeveer 70% van de landbouwgrond gebruikt voor de productie van vee (land om de dieren te houden, plus de oppervlakte nodig om hun voer te produceren). Dieren concurreren dus rechtstreeks met mensen om voedsel. Met andere woorden: het is altijd efficiënter en duurzamer om plantaardig voedsel voor rechtstreekse menselijke consumptie te produceren, hoe efficiënt je veeteeltmethode ook is.


Anderzijds dragen dieren ook bij aan het milieu. Bijvoorbeeld door braakliggende akkers te begrazen, mest te produceren om de bodem te bemesten, hoogwaardige eiwitten aan te leveren voor menselijke consumptie en door overschotten van de landbouw te eten die ongeschikt zijn voor menselijke consumptie.


Indien de wereldbevolking zoals verwacht in stijgende lijn blijft toenemen (en indien we ons eetpatroon niet aanpassen), zullen we tegen 2050 70% meer voedsel moeten produceren dan vandaag het geval is om in de komende decennia voldoende voedsel te voorzien voor de globale populatie. Een doel dat noch realistisch, noch wenselijk is.





Hoewel de veestapel overal ter wereld in sneltempo groeit, is het consumptiepatroon erg ongelijk. De meest bepalende factor voor deze consumptie is rijkdom: hoe rijker een land of samenleving, hoe meer vlees ze consumeren. In sommige delen van de wereld (vooral Afrika en Zuid-Azië) is de vleesconsumptie zeer laag, terwijl de geïndustrialiseerde landen veel meer dierlijke producten eten dan nodig of zelfs gezond is.

En waar de ontwikkelde landen toegang hebben tot een groot aanbod plantaardige voedingsmiddelen om dierlijke eiwitten te vervangen (en toch een gezond voedingspatroon te behouden), zijn mensen in andere delen van de wereld veel meer afhankelijk van deze dierlijke eiwitten voor hun voedselinname. Daarbovenop zijn vele huishoudens in de ontwikkelingslanden sterk afhankelijk van hun veestapel om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. In dit opzicht zou het zelfs beter zijn moesten sommige delen van de bevolking meer dierlijke producten produce